Wilde Kat  (Felis Silvestris) Afrikaanse/Aziatische/Europese

Er bestaan verschillende varianten van de wilde kat. De Afrikaanse, de Aziatische en de Europese Wilde Kat.


Afrikaanse Wilde Kat - zie soortbeschrijving


Aziatische Wilde kat

De Aziatische wilde kat, ofwel steppenkat (felis silvestris ornata) en zijn verwante ondersoorten komen voor in het grootste gedeelte van Zuidwest- en Centraal Azië. De wilde kat heeft een lichtgele tot donkergrijze vacht met een vaag strepenpatroon en een geringde staart. Ze komen voor in loofbossen,bosranden,half woestijnen en op steppen en savannen. 

De Aziatische wilde kat, ofwel steppenkat (felis silvestris ornata)


Europese Wilde kat

De wilde kat lijkt op een cyperse huiskat, maar is veel krachtiger gebouwd en heeft een staart die gecoupeerd lijkt. Er zijn nog maar weinig wilde katten in Europa. In Nederland komt er geen enkele (Europese) wilde kat meer voor.

Vervolging door wildbeheerders heeft hun aantal in de 19e eeuw drastisch verminderd en de overlevende dieren hebben zich vaak met verwilderde huiskatten vermengd. Oude Egyptenaren temden de Afrikaanse wilde kat om hun graanschuren tegen knaagdieren te beschermen.

Wilde katten leven in grotere bosgebieden, in struiklandschappen en in bergachtige en rotsige streken. Vroeger kwam de wilde kat overal in Europa voor, maar naarmate de grote wouden steeds meer gerooid werden, werd de wilde kat naar steeds afgelegene gebieden verdrongen. Er werd genadeloos gejaagd op de wilde kat onder het mom van bescherming van klein wild en bodembroeders zoals de patrijs en de fazant. Tegenwoordig wordt de wilde kat weer steeds meer gezien als een waardevol en interessant lid van een rijke en natuurlijke levensgemeenschap en is op veel plaatsen beschermd. Eén van de weinige natuurlijke vijanden is de lynx, een groter familielid van de wilde kat. De wilde kat kan zich erg makkelijk aanpassen. In Zuid-Europa leven ze in struikrijke gebieden, in Midden-Europa vooral in naaldbossen en in Schotland bewonen ze grote venen en weidegebieden met schapen. In al deze leefgebieden voelt het schuwe dier zich thuis.

 

 

Op plekken waar weinig prooidieren zijn en de wilde kat ze met andere rovers delen moet, jaagt hij meestal alleen en leidt een solitair bestaan. Waar voldoende prooidieren voorkomen, geven ze soms hun solitaire leefwijze op en vormen ze groepen die samen een territorium verdedigen. Woelmuizen en andere knaagdieren vormen het voornaamste voedsel van wilde katten, maar ook eekhoorns versmaden ze niet. Grotere prooien weten meestal te ontsnappen, alleen ree-en hertenkalveren worden soms gegrepen, wanneer ze te traag zijn. De jachttechniek is dezelfde als van alle andere katachtigen: besluipen, bespringen en een dodelijke beet in de keel.

Wilde katten verdrijven normaal altijd indringers, maar op zoek naar een partner verlaten ze hun territorium. De wilde poezen zijn eind februari of begin maart krols. De paartijd is een luidruchtige periode. Vaak zitten meerdere katers om een vrouwtje heen en krijsen de hele nacht door. Wanneer één van de katers zijn concurrenten verdreven heeft, rolt het vrouwtje zich over de grond heen en weer om het mannetje duidelijk te maken dat ze hem accepteert. Negen tot tien weken na de paring werpt het vrouwtje de jongen in een nest dat zich meestal in een rotsspleet of in een hoge boom bevindt. Er kunnen 1-8 jongen geboren worden, maar een nest bestaat meestal uit vier wilde kittens.

Tijdens de eerste weken van hun leven worden de jongen door hun moeder fel verdedigd. Na ongeveer 10 dagen gaan hun oogjes open. Vanaf die tijd worden de katjes al gevaarlijk en kunnen ze indringers al hard krabben en bijten. De moeder zoogt ze ongeveer een maand lang. Na vier tot vijf weken komen de jongen voorzichtig uit het nest en spelen in de omgeving. Het mannetje bemoeit zich niet met het grootbrengen van de jongen. Als de jongen ongeveer drie maanden oud zijn, gaan ze met hun moeder mee op jacht om de kunst af te kijken. Een maand later gaat de familie uit elkaar en jaagt ieder voor zich.

Tekst en foto's: B. de Jonge