|
De nevelpanter is de kleinste van de groep "grote katten". Hoe de
verwantschap is ten opzichte van de andere katten, is nog niet helemaal
duidelijk. De nevelpanter wordt ernstig met uitsterven bedreigd. Het
aantal is drastisch teruggelopen door overbejaging en verstoring van
zijn jachtgebieden.
De nevelpanter bezit zowel kenmerken van de tijger als van de marmerkat.
Hij staat eigenlijk tussen de grote en kleine katten in. In
tegenstelling tot de andere grote katten heeft de nevelpanter een
volledig verbeend tongbeen, zoals de kleine katten. Hierdoor kan hij
niet brullen, maar wel spinnen bij in - en uitademen. Tegenwoordig wordt
hij tot hetzelfde geslacht gerekend als de tijger. De vraag naar zijn
pels is de nevelpanter bijna noodlottig geworden. De
oorspronkelijke bewoners van Borneo gebruikten de tanden van de
nevelpanter voor het maken van sieraden en de pels als krijgsgewaad.
De vacht van de nevelpanter is geelgrijs met grote, zwart-omrande donkerbruine vlekken op de rug en flanken. De kop heeft zwarte vlekken en strepen. De hals heeft zwarte strepen. De kop is relatief smal met een brede, stompe snuit. Het aantal tanden is hetzelfde als bij de andere katten, maar de hoektanden zijn uitzonderlijk lang. Het lichaam is krachtig gebouwd met korte, stevige poten en krachtige klauwen. De nevelpanter komt alleen nog maar voor in de afgelegen gebieden van India, Nepal en Zuidoost-Azië. Zijn leven speelt zich hoofdzakelijk af tussen de takken van bomen in een steeds kleiner wordend leefgebied. Hij dommelt en slaapt of loert op een prooi vanuit een boom. In rust legt hij zijn voorpoten gestrekt op de tak en zijn staart rechtuit achter zich. Over zijn gedrag en leeftwijze in de vrije natuur is maar weinig bekend. Hij leeft in ontoegankelijke gebieden en laat zich zelden zien. Tussen de bladeren is hij nauwelijks te zien door zijn buitengewoon goede schutkleur. Wel heeft men de nevelpanter in gevangenschap kunnen gadeslaan en daaruit komt de meeste informatie vrij. In gevangenschap gehouden nevelpanters zijn over het algemeen goedmoedige en speelse dieren. Fokresultaten met nevelpanters in gevangenschap zijn slecht, omdat er zo
weinig bekend is over deze dieren en hun paargedrag. Het is moeilijk
volwassen dieren aan elkaar te introduceren, zoals vaker het geval blijkt
in dierentuinen, en door de extra stress wat hiermee gepaard gaat (de
situatie is verre van natuurlijk) komt het wel eens voor dat de mannelijke
nevelpanter het vroiuwtje dood. Dit komt bij meerdere wilde dierensoorten
in gevangenschap voor als niet-gerelateerde, volwassen dieren bij elkaar
gezet worden. Nevelpanters zijn van nature geen agressieve dieren. Een
ruim verblijf en het nauwkeurig uitzoeken van "partners" zorgt voor een
goed welzijn en betere fokkansen.
Het voedsel van de nevelpanter bestaat uit vogels en apen die hij in de bomen vangt. Hij is ook in staat andere dieren, zoals varkens, geiten en herten te overmeesteren. Hij laat zich uit de boom pardoes boven op zijn prooi vallen en doodt hem met een beet in de nek waardoor de ruggengraat gebroken wordt. Bij de jacht op de grond zijn de tijger en de luipaard, die beide groter en sterker zijn dan de nevelpanter, zijn concurrenten. Nevelpanters jagen vooral in de avondschemering, een tijdstip waarop hun prooidieren zich voorbereiden op hun nachtrust en dan makkelijk te pakken zijn. Het vrouwtje werpt haar jongen tussen maart en mei. De worp kan uit één tot vijf jongen bestaan, maar meestal zijn het er twee. De jongen worden evenals andere kattenjongen blind geboren en wegen bij de geboorte ongeveer 150 gram. Na ongeveer twaalf dagen gaan de ogen open. Vijf weken na de geboorte zijn ze al aardig actief en na tien weken eten de jongen vast voedsel. Bij de jongen is de donkere rand om de vlekken op hun pels nog niet erg
uitgesproken. Deze verschijnt pas op een leeftijd van zes maanden.
Aangenomen wordt dat ze op de leeftijd van ongeveer negen maanden
zelfstandig zijn.
Tekst en foto's: Babette de Jonge Website: www.wildcatsmagazine.nl
|